Saïdjah en Adinda

't Is avond, en 't is rustens recht. De Toshiba en de Iomega HD ronken, want er worden een paar tientallen gigabytes foto's overgezet. Bill Evans speelt piano. Everbody digs Bill Evans. Terwijl ik wacht, denk ik aan Saïdjah en Adinda, in Lebak. Aan elkaar uitgehuwelijkt, voor elkaar voorbestemd, maar hun liefde gaat ten onder in koloniale wreedheid. In Bergen werd de familie van Sadia Sheikh - vader, broer en zus - veroordeeld voor de eremoord op een meisje dat weigerde uitgehuwelijkt te worden. Ze studeerde rechten en had een Belgische vriend, Jean.
Sadia en Jean in Charleroi, vandaag. Saïdjah en Adinda, in Lebak, 150 jaar geleden. Hilde Van den Eynde schreef een hard artikel in De Standaard, of beter, ze stelde harde vragen. Misschien onterecht. Het is een tragisch verhaal voor het hele gezin, voor de hele gemeenschap. Talloze immigranten worden gekatapulteerd van de middeleeuwen in het rationele westen van vandaag. Van de feodaliteit en de clans naar onze vrijheid en chaos. Ze zijn evenzeer slachtoffer als Sadia. Het artikel kopieer ik onderaan. Voor alle Sadia's kopieer ik "Ik weet niet waar ik sterven zal", van Multatuli, natuurlijk.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de grote zee gezien aan de zuidkust, toe(n) ik daar was met mijn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: `Wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?'
Ik zal 't niet horen.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe, dat hij zelf had aangestoken omdat hij mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout neervallen op mijn lijk.
En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen die water werpen om het vuur te doden.
Ik zal 't niet horen.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de kleine Si-oenah zien vallen uit de klappa-boom, toen hij een klappa plukte voor zijn moeder.
Als ik val uit een klappa-boom, zal ik dood nederliggen aan de voet in de struiken, als Si-oenah.
Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood. Maar anderen zullen roepen: `Zie, daar ligt Saïdjah!' met harde stem.
Ik zal 't niet horen.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoge ouderdom, want zijne haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om mijn lijk staan.
En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-lisoe's lijk. En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.
Ik zal 't niet horen.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessa, oostwaarts tegen de heuvel, waar 't gras hoog is,
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras...
Ik zal het horen.
Moment!
vrijdag 09 december 2011, Hilde Van den Eynde
Ik stel het me voor. Je bent vier jaar oud, krijg je een zusje erbij. Terwijl jij op de kleuterschool je eerste kopvoeters tekent, leert zij lopen. Jij houdt daarbij haar handje vast, zodat ze zich niet bezeert.
Twintig jaar later schiet je haar dood.
Ik stel het me voor. Ook jij wordt geboren, in hetzelfde gezin, je zusje is dan twee jaar oud. Als je weent, komt ze kijken, stopt ze het tutje weer in je mond. Ze deelt haar poppen met jou.
Achttien jaar later houd jij haar klem, zodat je broer de trekker maar heeft over te halen.
Hoe voelt dat, vraag ik me af. Is het akelig om te schieten, schrikken jullie van het bloed, van het gillen?
En jij, vasthou-zus, wat doet het met je als ze opeens slap wordt in je armen? Voel je spijt, roep je merde? Vraag je snel nog om vergiffenis?
Of voelt het juist goed, te hebben volbracht wat jullie door de familieraad is voorgezegd? Zijn jullie euforisch, omdat jullie recht hebben gedaan? Vinden jullie dat ze dit zelf heeft gezocht? Of hébben jullie niks te vinden?
Wij wel, hier. Wij vinden dat jullie een misdaad hebben begaan. Niet enkel door Sadia van het leven te beroven. Maar ook door ons van haar te beroven.
Van haar die beter dan jullie had begrepen dat een gewoonterecht, dat in een Pakistaanse bergkloof wellicht de overlevingskansen van de clan vergroot, dat niet langer doet in het Charleroi van 2007. Die mee wilde stappen in óns project. Die haar schouders wilde zetten onder ónze maatschappij. Vonden jullie niet kunnen. Moest een stokje voor worden gestoken.
Dat de rechtbank vanmiddag hard moge vonnissen, daarom. Snoeihard. Om aan te geven dat wij dit niet pikken.
En ten behoeve van al die Sadia's die nu nog in vluchthuizen schuilen omdat ze zo graag met ons mee willen doen, maar dat van jullie niet mogen.
Comments
Post a Comment