De deconstructie van God
Is iets waar, juist en rechtvaardig omdat het een democratische basis heeft?
Ik vraag me al een tijdje af wanneer de deconstructie van God begonnen is.
Was dat, op een persoonlijke noot, toen ik mijn plechtige communie had gedaan (1971 moet dat geweest zijn), en toen ik besliste om niet meer naar de zondagsmis te gaan? Hoewel: dat was geen doordachte beslissing, maar veeleer een daad van gemakzucht. Was het vele jaren later, toen ik het verhaal hoorde van professor Vermeersch over de historische en de kerygmatische (verkondigende) Christus?
Als tiener vond ik wel dat de mens God geschapen had naar zijn beeld en gelijkenis (en niet omgekeerd), maar toch was het een schok om de thesis te horen dat de leer van Jezus niet die is van een gebedsgenezer die gekruisigd werd rond 25 na Christus, maar wellicht die van zijn leerlingen en vooral van de late bekeerde Romein Paulus, die een cult deden ontstaan nadat hun gekruisigde held uit hun leven was verdwenen.
Was het nog later, toen ik tijdens de laatste kerstdag (!) luisterde naar het verhaal van de kosmoloog Stephen Hawking, waarvoor de Leuvense studenten stormliepen? Of was het vorige week, toen de Groningse studenten massaal opdaagden om te luisteren naar bioloog Richard Dawkin, die betoogde dat mensen anders aankijken tegen de wetenschap dan tegen het geloof, hoewel die toch allebei een universele waarheid denken te verkondigen?
Los van de persoonlijke noot, begon de deconstructie van God niet tijdens de mei-revolte van mei 68, zoals monseigneur Leonard denkt? Ach, Leonard, hij doet je tenminste nadenken. In zijn laatste boek uit hij bedenkingen bij de universele waarde van democratisch genomen beslissingen, maar ik ben het grondig oneens met sommige van Leonards critici dat de kritiek op de democratie gevaarlijk is (zoals moraalfilosoof Patrick Loobuyck). Het is niet omdat de meerderheid een oordeel heeft, dat dat oordeel juist of rechtvaardig is. Als dat zo was, dan was het nazisme en fascisme gerechtvaardigd in het Duitsland en Italië van de jaren 30, of de Iraanse revolutie en de theocratie die er werd gesticht in 1978. Vreemd dat Rik Torfs dat argument niet gebruikt in zijn mooi stukje over Antigone en over de wetten van God en de wetten van de heersers.
En: hoe kan je het geloof verzoenen met de Big Bang-theorie - was God er ook vóór het heelal ontstond, zoals de bijbel ons leert over de God die altijd was, is en zal zijn?
Begon het met Darwin, die aan God begon te twijfelen toen zijn dochtertje overleed? Waren het de filosofen en wetenschappers van de Verlichting? Begon het ketters denken met de renaissance, toen niet God, maar de mens centraal kwam te staan in het wereldbeeld? Of begon het al in de tijd van Jezus, toen Thomas de twijfel van de denkende man verwoordde (al zijn we niet zeker dat Thomas echt leefde in Jezus' tijd) en niet kon geloven zonder te zien? Of - en nu wordt het een beetje absurd - begon de deconstructie van God vóór Christus, met de Griekse filosofen en met Socrates, hoewel die laatste meer de heersende klasse dan de goden van Olympus in vraag stelde?
Misschien (en wellicht) ligt het aan mij persoonlijk, dat ik nu tekenen zie van een toenemende deconstructie van God, zoals iemand die overweegt (of beslist heeft) een Volvo te kopen, de laatste tijd opvallend veel Volvo's ziet rondrijden.
Lees ook:
Rik Torfs, Antigone, in De Standaard van 12 januari 2012.
Patrick Loobuyck, Paus van de provocatie. André-Jozef Léonard: gedoemd tot controverse, in De Standaard van 10 januari 2012
iTunes Soundtrack om 7 uur 's morgens: The Bridge, van Neil Young (Time Fades Away)

Comments
Post a Comment