Bali, of: Een antwoord aan Erwin Mortier


Ik zag naar de plaats des gerichts : daar was de boosheid.
PREDIKER III : 16

Wat een vat vol gal is die Erwin Mortier toch! Beangstigend hoe hij soms op mij lijkt. Of andersom. Telkens als ik naar de Belgische kust ga, moet ik mijn hart luchten over de gruwelijke Atlantic Wall, de onbegrijpelijk drastische verloedering van de zeedijk met appartementsblokken die de breedte hebben van een rijwoning.
Welke overheid laat dit toe? Welke bouwheer plant dit? Welke architect ontwerpt dit? Het zou een prachtige metafoor kunnen zijn voor het stuk van Mortier: daar zit je dan, in je appartement, de deur dichtgetrokken, je spoelt het zand van tussen je tenen in de te kleine badkamertje, en je keert je rug naar het land, zijn bevolking en zijn leiders. Je gaat zitten voor het raam, zes hoog, en je kijkt naar de zonsovergang boven de zee. En je ziet alleen maar schoonheid. Als je vanop het strand landinwaarts kijkt, zie je de collectieve gruwel die dit hyperindividualisme aanricht.

Tot mijn vrouw mij nog maar eens met beide voeten op de grond zet. "Je moet opletten dat je geen oude zeur wordt."

Een grauwe Erwin Mortier
Gelijk heeft ze, maar ik spartel nog tegen. "Het is omdat ik zo van de zee hou, omdat ik niet onverschillig wil blijven, omdat... omdat..." Maar ze heeft het laatste woord. Ik wil toch niet worden als Erwin Mortier? Of beter: toch niet de Erwin Mortier van zijn opiniestuk "Vrede zij met ons" in De Standaard van 28 december 2012.

Wat hij ons daar voorschotelt is grof, rauw en grauw, en ook erg eenzijdig, maar er zijn ook veel dingen waar ik het mee eens ben.

"En hier zitten we dan, anno 2012, op de drempel van het nieuwe jaar, met elf miljoen in een welvarend land, in de regenachtige uithoek van een werelddeel dat erin geslaagd is de langste periode van vrede ooit voor zijn bevolking te garanderen – en gelukkig dat we zijn."

Net als ik volgt hij de analyse van professor Verhaeghe, psycholoog: We consumeren onszelf te pletter, maar vrolijk maakt het ons niet. Verhaeghe noemt het de kwaal van het neo-liberalisme, maar dat heeft hij fout - het gaat veel dieper, en het neo-liberalisme is het gevolg, niet de oorzaak. Maar ik wil het hebben over Mortier, niet Verhaeghe.

Naadloos verglijdt de stellingname van Mortier in iets anders, het gaat over de grauwe armoede van de verschoppelingen van onze westerse maatschappij.

"Ze zijn op weg naar huis, naar hun kamerflat of groezelige woonblok in vergeten wijken, die gestalten in wier blik uitputting het wint van hoop."

Pathos
Wat Mortier hier zegt, zegt hij goed, zij het nogal Campsachtig barok en met te veel pathos. Wat hij beschrijft, merk ik ook op. ALs ik overwerk, loop ik Bali soms tegen het lijf in de donkere gangen van mijn werkgever. Bali is een Indiër, en is ongetwijfeld ouder dan hij lijkt. 's Avonds ruimt hij de vuilnisbakken en maakt hij schoon, voor ons, die Mortier Olympiërs noemt. Bali is erg verstandig, en heeft veel wijsheid. Hij woont ergens in Ledeberg, maar veel van zijn privésituatie kom ik niet te weten. Hij volgt de actualiteit goed op, verheugt zich in wat mij blij maakt, en is bezorgd om wat ik ook zorgwekkend vind. Af en toe gaat hij naar zijn familie, ergens in Kashmir in het noordelijk deel van Indië. Hij spreekt Engels zoals alleen een Indiër Engels praat. Ik vraag hem waarom hij niet solliciteert voor een job bij Volvo, die veel beter betaalt, maar hij vreest dat zijn Nederlands niet goed genoeg is (nonsens). Ik zie geen uitputting in Bali's pretoogjes, maar hij behoort toch tot een andere dimensie, een dimensie die weinig raakvlakken heeft met mijn en onze wereld. Zoals Mortier terecht zegt: hij behoort tot de echte kosmopolieten, die hun hebben en houden achterlaten en elders een nieuw leven beginnen.

Maar ik zie er ook anderen, collega's van Bali, de vrouwen van de poetsbrigade. Bij hen ontwaar ik nog minder uitputting. Laatst was er iemand heel druk bezig met telefoneren op haar mobieltje. Ze was in de avonduren één van de kantoren aan het schoonmaken, en had de deur dichtgedaan. Kwestie van niet gestoord te worden. Of om de weinige laatwerkers zoals ik niet te storen. Zeer attent. Ook zij zijn verstandig, en zoeken de weg van de minste inspanning. Voor een schamel loon zullen zij zich niet kromwerken.

Nog iemand anders die ik ken komt uit het verre Armenië. De vrouw bedrijft wat Mortier beschrijft: schoonmaken voor ons, wrokkige Olympiërs. Haar missie in dit leven: zorgen dat haar dochter het beter heeft, misschien wel toetreedt tot de hoge klasse van, nou ja, de Olympiërs. In de klas van mijn kinderen zat er ook een meisje van Armenië. Ze zag er in mijn ogen erg Turks uit, tot ik haar vroeg of ze hier graag woonde. Jazeker, alleen jammer van al die Turken in haar straat en in Gent in het algemeen. Toen wist ik dat ze Armeense was. Wat de nazis zijn voor ons, de Japanners voor de Chinezen, en de NVA voor Erwin Mortier, zijn de Turken voor de Armenen. In de lagere schooljaren geven de kinderen graag verjaardagsfeestjes, en dat deed dat meisje ook. Maar op zekere dag was ze verdwenen. Zomaar.

De taal verleidt een schrijver
Het is hier dat Mortier begint te ontsporen:
"We moeten wel goden zijn, het kan niet anders. Onder onze met prikkeldraad, wachttorens en bloedhonden omspannen theekoepel blikken we onaangedaan naar het leed en de gruwelen in de buitenwijken van onze welvaartswoestijn en verslikken ons gulzig in ons gemarineerde kippenboutje. De botjes gooien we achteloos over de schutting. Slechts af en toe welt vanuit de schijnwereld der media in onze borst kundig georkestreerde compassie of betrokkenheid op."

De taal verleidt Mortier al te zeer, en het moet gezegd, die taal is sierlijk, hoewel ik veeleer een zakelijke stijl verkies, bijvoorbeeld in de gedichten van Martinus Nijhoff. Geen woord te veel. "Lees maar, er staat niet wat er staat." De verleidingstruuk van de taal drijft de schrijver in de afgrond van de hyperbool - mocht ik een schrijver zijn, ik zou zeggen: in de afgrond van de met schrikdraad, brandnetels en doornen omzoomde theepot waarin de mier naar beneden dondert, al te zeer beneveld door de geurige, aan Ispahaan refererende geurende thee van munt en lindebloesem.

Van hyperbolen gesproken: Mortier suggereert om eens een illigaal te serveren: "Een Afghaan op tafel, met oudejaar, gegarneerd met gember en pijpajuin, zou het geen delicatesse zijn?" Grapje natuurlijk, maar niet echt een grapje dat bijdraagt tot het opbouwen van een argumentatio. En evenmin leuk.

Maar goed dat ik geen schrijver ben. Wat stoort me precies aan het proza van Mortier?

Vlaanderen in het visier
Wel, vooral dit: dat het toekomstvisioen niet slaat op de westerse mens in het algemeen, maar op de Vlaming, en dan nog niet elke Vlaming - het is de droom - of nachtmerrie "van het glorieuze Vlaanderen dat ons kennelijk te wachten staat wanneer we de helft van onze landgenoten eruit trappen, eigenlijk iets anders dan onze eigen versie van de gated community's waarin wij, als alle bange goden overal ter wereld, ons menen te kunnen isoleren van de rest van de planeet?"

Als ik even in mijn eigen navel peuter, merk ik het volgende op. Ik ben al bijna 20 jaar een Plan International-ouder. Elke maand gaat er een bedrag van mijn bankrekening richting Artsen Zonder Grenzen. Hier en daar komt daar nog een kleine schenking bovenop, en ik beken deemoedig: als het kan neem ik de belastingaftrek mee. Maar bovenal: ongeveer de helft van wat ik verdien schenk ik aan de gemeenschap. Een deel krijg ik weer, onder de vorm van autosnelwegen, gezondheidszorg, bescherming en onderwijs. Een groot deel wordt verspild door een onoverzichtelijke en slecht bestuurde staat. En een pak geld gaat naar zij die volgens Mortier in de riool leven en maar gedoogd worden als slaven van de consumerende en vooral harteloze Vlaming - geld voor gevangenissen en cipiers, voor asielcentra, pro deo-advocaten, leeflonen bovenop alles waar ik zelf ook gebruik van maak.

Ondankbare schepsels!
Weinig volkeren geven meer, maar met gulheid heeft dit niets te maken. Geïnstitutionaliseerde solidariteit verlicht onze harten niet met het gevoel een goede daad verricht te hebben. Aan de kant der ontvangers is dit net zo. Ondanks massale transferts van het werkende deel van de bevolking aan de hulpbehoevenden, voelt deze laatste categorie zich niet 'geholpen', integendeel, ze voelt zich boos, geminacht en gemeden. Het ontlokte aan een collega van Mortier - Oscar Van den Boogaerd, in veel de tegenpool van Mortier - de volgende bedenking, ook na het zien van de onderbuik van een grootstad:

"Als ik Brussel binnenrijd en door de vuiligheid massa's niet-werkende mensen rond zie sloffen, denk ik: Brussel was ooit zo'n prachtige stad. Wat is er misgegaan? Wie betaalt dit allemaal? Waarom die agressie? Waarom die viezigheid? Waarom die negativiteit? Als er zoveel mensen geen werk hebben: waarom glanzen de straten niet? Waarom kan ik op straat nergens mijn schoenen laten poetsen? Waarom is het zo moeilijk een schoonmaakster te vinden? En kinderopvang? Waarom zijn al die mensen die hier hun hand mogen ophouden, niet dankbaar dat ze hier mogen zijn en stellen ze zich wat dienstbaarder op? Waarom kijken ze mij aan alsof ik een vijand ben? Zijn zij sociaal? Zijn zij rechtvaardig? Wie zijn de zelfzuchtigen? Mensen die hard werken en iets willen opbouwen? Als ik bedelaars zie zitten, werp ik meestal een munt in hun hoed, maar intussen denk ik: neem een bezem, was een auto, steek je nek uit. Alleen in een wereld waarin iedereen positief is ingesteld, zullen mensen bereid zijn te delen. Ik betaal mijn poetsvrouw met liefde omdat ik weet dat ze positief is ingesteld en de wereld mooier maakt." (DS 23-11-2012)

Diametraler tegenover die van Mortier kan een opinie niet zin. Schuldig verzuim van de Vlamingen bij de ene, ergernis om zoveel ondankbaarheid bij de andere. Ik verbaas me er nog altijd over dat er zo weinig reacties kwamen op het opiniestuk van van den Boogaard - ocharme maar 33 reacties en geen publieke, politiek-correcte verontwaardiging. Ik denk dat Zinzen en Mortier dit stukje over het hoofd hebben gezien. Ofwel beantwoordt van den Boogaard niet aan hun klassieke vijandsbeeld, want hij is geen reactionaire en wrokkige Vlaming.

Wat zag Erwin Mortier dan over het hoofd?

Vooral dit: de kilte die hij beschrijft, is eigen aan elke welvarende maatschappij die economisch krimpt. In zo'n omstandigheden ontstaat een het-is-van-mij-blijf-eraf-mentaliteit. Kijk maar naar Griekenland en Italië, daar zouden ze het liefst bootjes met vluchtelingen torpederen. Vlamingen zijn in deze niet beter of slechter dan andere volkeren.

Verder blijf ik me verbazen dat de integratie bij ons te lande (België, niet Vlaanderen, maar we zijn niet alleen) zo moeizaam verloopt, en ik druk me zacht uit. In tegenstelling tot Mortier geloof ik dat dit falen van beide kanten komt. Ik durf wat arrogant te stellen dat ik mezelf heb opgetrokken, omhoog uit de Vlaamse klei en weg uit de intellectuele en emotionele armoede, met veel geluk, wat talent en inzet, maar ook dankzij ons onderwijssysteem. Dat laatste ligt voor iedereen open, en toch draagt het onderwijs niet bij tot een echte integratie, integendeel. Je hebt concentratiescholen en je hebt elitescholen. Never the twail shall meet? Hopelijk niet.

Ik blijf me ook verzetten tegen de enge interpretatie van 'volksverbondenheid'. Hier ruikt het altoos naar bruine hemden en onverdraagzaamheid. Waarom kan het niet, zoals in Zweden, een positieve kracht zijn, een teken van verbondenheid. Overal zie je Zweedse vlaggen hangen, en niemand die dat associeert met extreem rechts. Het is een nationalisme dat omsluit, niet uitsluit.

Mortier heeft het over de Vlaamse kathedralen, maar zwijgt over de gevolgen van de ontkerstening. Wanneer God verdwijnt uit ons leven, worden we allemaal onze eigen God, en onze kinderen worden onze afgoden; allen hebben ze de meest individuele, allereigenste voornaam, uniek zoals zij alleen uniek zijn. Hier brandt een lont aan een enorme bom, een bom van frustratie wanneer blijkt dat al deze perfecte afgoden op de arbeidsmarkt komen en in het leven moeten stappen met andere, even perfecte concurrenten. Dan zien zij hoe gewoon en onvolkomen ze zijn. Met God verdwijnt ook het zondebesef. Mortier schrijft over schuld, maar niet over zonde, en ook niet over berouw en vergiffenis.

Ju ju wat een grof volkje
Op één punt geef ik Erwin Mortier groot gelijk. Hij gebruikt weer veel woorden, maar eigenlijk bedoelt hij, terecht: Ju ju wat een grof volkje. Vooral op de internetfora. En dan vergeet hij nog de dt- en andere fouten te vermelden als afspiegeling van het algemeen niveau van de inzender.

"Tegelijk met de erosie van onze gemeenschappelijkheid hakken we steeds dieper in op het burgerschap dat we met elkaar delen. Wansmakelijk, zorgwekkend en onaanvaardbaar is de windhoos aan scheldnamen die we op elkaar loslaten, waarmee we elkaar brandmerken, elkaar de waardigheid, zowel van onszelf als van onze medemens, ontzeggen. Hij is ontsproten, die gifstorm, aan de doldraaiende gebedsmolens van onze moderne internetfora. Hij blaast zijn ijzige adem over de processie van treurigstemmende ‘commentaren' die ieder opiniestuk met de ranzigste woordenschatten beschimmelen en rolt steeds vaker over de lippen van onze gekozenen, zonder schroom, laat staan een zweem schaamte of gêne."

Ik hoop dat er iemand is die tegen Erwin Mortier zegt: "Je moet opletten dat je geen oude zeur wordt." Maar uit ervaring weet ik: je gal af en toe spuwen, lucht op.

Comments

Popular posts from this blog

Met twee woorden spreken

(Niet) in de kaart spelen

"This is so funny."