Porterhouse steak
Bij die man wil ik nog eens gaan eten.
Lang sparen, en ons dan eens laten gaan. In In De Wulf. Altijd moeilijk, restaurants waarvan de naam met een voorzetsel begint. Ik heb dezelfde droom als hij: een houtoven bouwen, en zuurdesembrood bakken op steen.
In De Standaard Magazine vertelt hij - die man, Kobe Desramaults - een waanzinnig verhaal. Als het waar is, is het te mooi om het niet te bewaren voor het nageslacht.
‘Over vlees gesproken. Laatst was ik met Jason in Berlijn. We wilden de beste biefstuk van de stad. Dus wij naar een restaurant met een topreputatie. We bestellen een porterhousesteak en een dure fles wijn erbij. Maar echt, dat vlees was niet te vreten. Ik vraag: “Pardon, wat is dat?” - “Rund.” - “Ja, maar welk ras?” - “Geen idee.” Zelfs de manager had geen flauw benul van wat de kok in mijn bord gelegd had. Maar ik wist het wél. Het was géén porterhouse en het kwam van een mottig beest. We zijn het daar afgetrapt.’
‘Jason en ik in een taxi, scheel van de honger. “Bring us to the best meat in town”, zeiden we tegen de chauffeur. En die gast maar rijden en rijden. Tot hij stopt. Hij draait zich naar ons om en wijst: “The best meat in town!” Een stripclub! We hebben dan maar varkensribbetjes gegeten in het restaurant ernaast. Ook lekker.’
De Standaard Magazine, 8-2-2014

Comments
Post a Comment