Zalige komkommertijd
‘Hij had zich vastgeklemd en niet begrepen wat hen bezielde. Maar toen hield opeens het zenuwslopende geratel van het stokje tussen de spaken op, was er alleen nog het suizen van de wind, het fladderen van hun jurken en leek het of hij zich na een lange, lange aanloop in de lucht verhief en in plotselinge stilte wegzweefde. Een onbeschrijflijk licht en ruim gevoel.’
Uit ‘Opwaaiende zomerjurken’, van Oek de Jong (1979).Is dat nu een universeel mensenrecht: mogen genieten van de wind in je haren, het zeewater op je schouders, het laten fladderen van de jurken, de wind die je huid beroert? En wat als je dat echt-niet-zelf wil? Wat met de onwetendheid waaraan je zelf, of anderen schuld hebben?
Moet je tatoeages verbieden? Nee. Ook niet als je de verhalen hoort van meisjes die spijt hebben dat hun gezicht vol sterretjes staat? Nee. Ieder heeft het recht op wat onnozelheid.
Moet je verbieden dat jongens gaten in hun oren laten maken? Nee. Ook niet als ze daar een ring door steken zodat ze een lel van een oorlel krijgen waar je nog eens doorheen kan kijken? Nee, laat ze maar zoeken naar hun identiteit.
Maar mijn kinderen zou ik het wel verbieden. Streng. Omdat ik van hen hou. De rest, ze doen maar, in naam van de heilige vrijheid, maar ik wil dat mijn kinderen gelukkig zijn.
(Tolerantie als gebrek aan liefde.)
Een tijd geleden zag ik op het VRT-journaal een jammerreportage over 'hoog opgeleid, toch geen werk'. Een oorleljongere - geen groot licht - had het hard te verduren. Al zoveel sollicitatiebrieven, zoveel gesprekken, en niemand wou hem! Had toch niemand die jongen verteld dat je met Communicatiewetenschappen niet zo sterk staat op de arbeidsmarkt, en die oorlel, ach, straks was er nog sprake van discriminatie.
En die boerkini? Ik vind het wat griezelig, zoals ik ook een nazi-uniform griezelig vind. Maar verbieden? Ik ben blij dat ik geen wetgevende bevoegdheden heb. Laat die meisjes toch doen, denk ik. Als ze uit het water komen, blijven ze lang nat, en terwijl het water verdampt en warmte onttrekt aan hun huid, zullen ze het wel oncomfortabel koud hebben. Hun keuze. Kunnen ze bibberend nader tot god komen. (Ik schrijf 'god' zonder hoofdletter, want het is niet mijn God.)
Maar anderzijds: zulke badpakken zijn meer dan een religieuze 'marker' (cf. Dick Wursten in De Standaard, 18-8-2016). Ze zeggen: ik hoor bij hen. Of: Ik hoor niet bij jullie. En de eerste slachtoffers zijn de oprecht gematigde moslims en moslima's, die een deel van hun geloof links laten liggen om aan te sluiten bij onze maatschappij. En die zich daardoor kwetsbaar opstellen tegenover de hardliners.
Een onbestaand probleem, zoals Gwendolyn Rutten zegt? Nu nog wel. Maar volgend jaar is het terug.

Comments
Post a Comment