The meanest flower that blows
Wat een wonderbaarlijke kleine bloem!
Op het kerkhof wordt een pak graven geruimd waarvan de concessie is verstreken. Er is een tijd voor alles, ook een tijd om het verleden achter ons te laten. Oud-strijders zullen een laatste keer verzamelen; hun beenderen, of wat er van overblijft, zullen apart worden bijgezet, in of onder een monument van de plaatselijke strijders van de Groote Oorlog. Sommige doden hebben als portret hun officiële legerfoto. Altijd mooi, met die snor uit die dagen, of met de zware legerjas en de helm, weerstaan aan 'den Duits' die eerder al Leuven, Dinant en Namen had gebrandschat, en die zich dan ingroef in de West-Vlaamse en Franse loopgraven.
Mijn grootvader ziet er op zijn foto niet zo oorlogszuchtig uit. Veel vertelde hij er niet over 'zijn' oorlog. Zijn foto is de helft van een dubbelportret - dat van zijn vijftigste huwelijksverjaardag - met de vrouw van zijn leven, Marie. Vijf jaar na hem stierf ook Marie. Haar graf bevindt zich enkele rijen verder; de foto is de andere helft van dat dubbelportret.
Mijn grootouders waren lieve mensen; hun kleine huisje was voor mij een haven van rust en geborgenheid.
Hun vijftigste trouwverjaardag, ergens in de jaren 70, dat herinner ik mij nog. Ze kregen een speldje, iets met twee vergulde bladeren, en een schommelstoel. Die werd hen gepresenteerd door iemand van het gemeentebestuur. Er kwam ook een echte fotograaf langs, en die maakte dat dubbelportret.
Vijftig jaar getrouwd, en daarna veertig jaar gescheiden. Mijn grootmoeder overleefde haar man vijf lange, eenzame jaren. Ik haalden de twee portretten van het kerkhof, en ik gaf ze een plaatsje in mijn tuin. Weer herenigd, toch in gedachten. Vlakbij het bijenhotel, waar het straks weer zal zoemen van het leven.
Op het kerhof zag ik, naast het graf van mijn grootvader, ineens dat onooglijk klein plantje, met een piepklein wit bloempje, met vijf bloemblaadjes. De takjes waaiden in de wind, dus scherpstellen was een moeilijke opgave, maar het is me toch aardig gelukt. Thuis wist Google wel raad met de determinatie: winterpostelein, of kleine winterpostelein (Claytonia perfoliata, synoniem: Montia perfoliata), een eenjarige plant uit de familie Montiaceae, die is komen aanwaaien uit Noord- of Midden Amerika. De Duitsers noemen het zelfs Kubaspinat.
De plant is te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel doorheen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Dit zijn geen kelkbladeren, maar naar de bloem opgerukte gewone bladeren. De gewone blaadjes hieronder hebben een schop-vorm.
Dit alles lees ik in Wikipedia.
En dan denk ik aan mijn oude, wat gekke professor Schrickx, die, zoals zovele professoren in die tijd, geen voornaam lijkt te hebben gehad.
Thanks to the human heart by which we live,(Wordsworth)
Thanks to its tenderness, its joys, and fears,
To me the meanest flower that blows can give
Thoughts that do often lie too deep for tears.




Comments
Post a Comment